Regeling Vervroegde Uittreding (RVU) | Drempelvrijstelling

06 november 2020 - Çigdem Alkiliç

Werkgevers die met oudere werknemers een afvloeiingsregeling treffen, op grond waarvan zij kunnen overbruggen tot hun pensioengerechtigde leeftijd, worden geconfronteerd met de zogenoemde Regeling Vervroegde Uittreding (RVU). De RVU brengt een strafheffing voor de werkgever met zich mee van maar liefst 52% van de ontslaguitkering. De RVU kan rekenen op de nodige kritiek uit de praktijk en pleit diezelfde praktijk voor afschaffing van de regeling, vooralsnog tevergeefs.

Wel heeft het kabinet recent een stap in de goede richting gezet. Op basis van het pensioenakkoord is het kabinet namelijk van plan om vanaf 2021, gedurende een periode van vijf jaar, een gedeeltelijke vrijstelling te introduceren voor de RVU-strafheffing van 52%. De voorgestelde RVU-drempelvrijstelling geldt voor zover de ontslaguitkeringen plaatsvinden in de periode van 36 maanden vóór de AOW-leeftijd. De hoogte van de vrijstelling bedraagt maximaal € 63.612 (36 maal netto AOW, ter hoogte van € 1.767). Ter verduidelijking van de voorgestelde regeling hebben we in deze bijdrage een aantal voorbeelden uitgewerkt.

Voorbeeld 1: Eenmalige RVU-uitkering binnen de 36 maandentermijn

Marieke bereikt op 20 juni 2024 haar AOW-leeftijd. Zij ontvangt op 1 juli 2021 een eenmalige RVU-uitkering van € 100.000 van haar werkgever. De periode tussen het ontvangen van de RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 35 maanden en 19 dagen.

Deze periode mag op hele maanden naar boven worden afgerond, zodat 36 maanden in aanmerking worden genomen voor de berekening van de drempelvrijstelling. De vrijstelling bedraagt € 63.612 (36 maanden maal € 1.767). Hierdoor is de belaste RVU-uitkering niet € 100.000 maar € 36.388 en betaalt de werkgever geen € 52.000 maar € 18.922 aan strafheffing.

Let op: Indien de eenmalige RVU-uitkering vóór 20 juni 2021 wordt ontvangen is er geen drempelvrijstelling van toepassing, omdat de uitkering meer dan 36 maanden vóór het bereiken van de AOW-leeftijd wordt ontvangen.

Voorbeeld 2: Eenmalige RVU-uitkering boven het vrijstellingsbedrag

Karel bereikt op 1 maart 2024 zijn AOW-leeftijd. Hij ontvangt op 1 maart 2022 een eenmalige RVU-uitkering van zijn werkgever ter hoogte van € 60.000. De periode tussen het ontvangen van de RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 24 maanden. De vrijstelling bedraagt € 42.408 (24 maanden maal € 1.767). Over een bedrag van € 17.592 (de RVU-uitkering van € 60.000 minus de drempelvrijstelling van € 42.408) is de werkgever RVU-heffing verschuldigd.

Voorbeeld 3: Periodieke RVU-uitkering binnen de 36 maandentermijn

Jasper bereikt op 2 december 2024 zijn AOW-leeftijd. Hij ontvangt vanaf 1 januari 2024 een maandelijkse RVU-uitkering ter hoogte van € 1.500, waarbij betaling van de laatste RVU-uitkering plaatsvindt op 1 december 2024. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 11 maanden en 1 dag. Deze periode wordt op hele maanden naar boven afgerond, zodat 12 maanden in aanmerking worden genomen voor de drempelvrijstelling. De vrijstelling bedraagt € 21.204 (12 maanden maal € 1.767). Bij iedere (maandelijkse) betaling van de RVU-uitkering wordt (cumulatief over het verstreken deel van de 36 maanden) getoetst of de drempelvrijstelling wordt overgeschreden. Omdat de maandelijkse RVU-uitkering ten bedrage van € 1.500 lager is dan de drempelvrijstelling van € 1.767 per maand, vallen de periodieke RVU-uitkeringen onder de drempelvrijstelling en is de werkgever geen RVU-heffing verschuldigd.

Voorbeeld 4: Periodieke RVU-uitkeringen buiten de 36 maandentermijn

Gerben bereikt op 1 juni 2025 zijn AOW-leeftijd. Hij ontvangt vanaf 1 juni 2021 een maandelijkse RVU-uitkering ter hoogte van € 1.767 per maand, waarbij de laatste RVU-uitkering plaatsvindt op 1 mei 2024. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 48 maanden. Over de uitkeringen die worden uitgekeerd in de periode van 1 juni 2021 tot en met 1 mei 2022 is de RVU-strafheffing verschuldigd, omdat deze uitkeringen meer dan 36 maanden vóór de AOW-leeftijd worden uitgekeerd. Vanaf 1 juni 2022 geldt de drempelvrijstelling. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering binnen de 36 maandenperiode (de RVU-uitkering die wordt ontvangen op 1 juni 2022) en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 36 maanden. De vrijstelling bedraagt hierdoor € 63.612 (36 maanden maal € 1.767). Bij iedere betaling van de RVU-uitkering wordt (cumulatief over het verstreken deel van de 36 maandenperiode) getoetst of de drempelvrijstelling wordt overschreden.

Omdat de maandelijkse RVU-uitkering gelijk is aan de drempelvrijstelling van € 1.767 per maand, is de werkgever over de vanaf 1 juni 2022 verstrekte periodieke RVU-uitkeringen geen RVU-heffing verschuldigd.

Voorbeeld 5: Periodieke RVU-uitkering boven het vrijstellingsbedrag

Noortje bereikt op 1 oktober 2023 haar AOW-leeftijd. Zij ontvangt vanaf 1 januari 2023 een maandelijkse RVU-uitkering ter hoogte van € 2.500 per maand, waarbij de laatste RVU-uitkering plaatsvindt op 1 september 2023. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 9 maanden. De vrijstelling bedraagt € 15.903 (9 maanden maal € 1.767). Bij iedere betaling van de RVU-uitkering wordt getoetst of de drempelvrijstelling wordt overschreden. De eerste zes RVU-uitkeringen (1 januari t/m 1 juni) van in totaal € 15.000 overschrijden de drempelvrijstelling van € 15.903 niet. Bij de betaling van de RVU-uitkering op 1 juli wordt het bedrag van de drempelvrijstelling overschreden met € 1.597. Over een bedrag van
€ 1.597 is de werkgever in juli 52% RVU-strafheffing verschuldigd. Ook over de RVU-uitkeringen van 1 augustus en 1 september 2023 is de werkgever RVU-heffing verschuldigd, omdat het drempelvrijstellingsbedrag in juli al werd bereikt.

Voorbeeld 6: RVU-uitkering met uitloop in 2026, 2027 en 2028

Ingrid bereikt op 31 december 2028 haar AOW-leeftijd. Haar werkgever kent haar schriftelijk op 31 december 2025 een regeling toe voor vervroegde uittreding, bestaande uit 36 maandelijkse termijnen ter hoogte van
€ 1.767 per maand, die uitgekeerd zullen worden vanaf januari 2026. De periode tussen het ontvangen van de eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 36 maanden. De vrijstelling bedraagt
€ 63.612 (36 maanden maal € 1.767). Vanaf januari 2026 begint de werkgever met het uitkeren van de termijnen aan Ingrid en eindigt met uitkeren in december 2028. Voor zover de uitkeringen het vrijstellingsbedrag niet overschrijden is er geen RVU-heffing verschuldigd.

Let op: Het is ook mogelijk een eenmalige uitkering te doen of in een kortere periode dan 36 maanden uit te keren, bijvoorbeeld van 1 januari 2027 t/m 31 december 2028. De vrijstelling wordt dan wel dienovereenkomstig verminderd. Er bestaat geen recht op een vrijstelling als de AOW-leeftijd na 31 december 2028 ligt. Daarnaast dient de regeling uiterlijk op 31 december 2025 schriftelijk te zijn toegekend aan de werknemer.

Tot slot

Komt u een financiële regeling overeen met oudere werknemers (collectief of individueel), toets dan telkens of de regeling kan kwalificeren als een met 52% strafheffing belaste RVU. Zo ja, dan biedt de voorgestelde drempelvrijstelling mogelijk gedeeltelijk soelaas. Laat u in dat kader tijdig informeren over eventuele planningsmogelijkheden.

< Terug naar overzicht



Çigdem

Çigdem Alkiliç

Stel uw vraag U ontvangt binnen 24u antwoord